dinsdag 7 maart 2017

Het spook van vergeten

Het dagboekje ligt soms weken onaangeraakt onder de koffietafel. Terwijl mijn dochter zich razendsnel ontwikkelt, vergeet ik op te schrijven wat ze doet en zegt. Deze week: ‘Mama weg, jammer, mama lief’. Maar ook: de armen over elkaar gooiend, met haar booste blik, nadat ik het schilmesje heb afgepakt: ‘Mes van mij! Mes van Izzy!’ Of hoe ze acteert dat ze moe is, zodat ik haar naar boven breng waarna ze hoopt met haar speen weer naar beneden te komen. (‘Nee, speen blijft boven. Wil je weer naar beneden?’ ‘Jahaa. Peen mee, peen mee’) Nu weet ik het nog. Over een paar weken ben ik het kwijt. Het is simpelweg te veel om te onthouden. Ik neem mezelf voor vaker te schrijven, en dat voornemen deel ik dan met het boekje. Later, als ze, wie weet, kinderen krijgt, geef ik het haar. Ze zal aan de intervallen zien dat ik een lapzwans ben, ze zal te veel nooit weten, want we vergeten. Zo gaat dat.

Gisteren was ik op bezoek bij een vriend. Hij vroeg me of ik zin had om langs te komen. Ook appte hij me een link naar een nummer van een muzikale held van me. Op zijn eenzame reis, eentje die nooit eindigt, was hij het tegengekomen en het had hem geraakt. Zo’n twee maanden geleden voelde een van zijn twee puberdochters zich niet zo lekker. Een week later schoven we, ik, mijn vrouw en andere vrienden, in de vrieskou achteraan in de rij bij het zalencentrum van een dorp waar ik nog nooit was geweest. De rij liep tot voorbij de dorpsgrens. Haar medescholieren, allen in het wit, hadden een bloem bij zich. De rest ook. In de rij werd gemompeld, bij de uitgang gehuild, soms hard. Meer dan het geluid viel de stilte op. Murw schuifelde de rouwslang richting kist. Nooit zal ik een leerling tijdens een bespreking nog levenloos noemen. Kijkend naar de open kist, zag ik hoe een levenloze puber er echt uitziet.

Mijn vriend, mager, holle ogen, glimlachte en greep iedere angstig toegestoken hand stevig vast. Voor mij omhelsde hij een klasgenote van zijn dochter die in tranen uitbarstte toen ze voor hem stond. Ze leek ‘sorry’ te stamelen alsof er schuld was en die te nemen het enige wat restte. Een paar dagen later nam de vriend het voortouw tijdens de crematie. Hij nam de uitpuilende zaal mee naar zijn angst voor de toekomst en zijn wanhoop in het nu. Maar het meest kwamen zijn herinneringen aan bod. ‘Als er wedstrijden lekker liggen zouden zijn, wonnen wij zeker’, hadden ze ooit op een luie zondagochtend met z’n tweeën besloten.

‘Ik wil alles opschrijven’, zei hij gisteren. ‘Alles van toen ze nog leefde. Alles wat ik nu meemaak. Het proces, het verdriet, de pijn. Ik ben bang dat ik vergeet.’ Als de herinnering het enige is wat rest, omdat er geen nieuwe ervaringen komen, moet ook de pijn onthouden worden. Zo gaat dat.

‘Mama, mama, buiten poken. Eng!’

‘Spoken zijn niet eng’, hoor ik mijn vrouw zeggen. Het dagboekje ligt onder de koffietafel.

donderdag 2 maart 2017

Schiermonnikoog

Nederland is het Schiermonnikoog van Europa in het verkiezingsjaar 2017, een eerste indicatie voor de richting die het oude continent in de eerste helft van de 21ste eeuw op gaat. De peilingen, Trump en de Brexit, laten winst voor de boosmensen en verlies voor de deugmensen zien. Voor iedereen staat er veel op het spel dus is iedereen bang. De boosmensen vinden hoop in Wilders, de deugmensen in kleine aanwijzingen dat het allemaal wel meevalt; een milde toespraak van Trump, een brief van Nederlandse artsen met Turkse achtergrond die uitspraken van Kuzu moeten ontkrachten, alles kan zo’n aanwijzing zijn maar niets is het.

De toespraak van Trump past in de autocratenstrategie van verdeel en heers afgewisseld met toenadering. Vaak toegepast en ook nu succesvol; gretig spreken de media, ook de door Trump verguisde, over een kentering in zijn presidentschap. Wilders en Kuzu, de Osewoudt en Dorbeck van de Nederlandse politiek, verspreiden ononderbouwde berichten die een eigen leven gaan leiden en een eigen waarheid vormen. De bestrijding ervan is blijkbaar onmogelijk zonder drogredeneringen. Immers, als Kuzu gelijk heeft, en de stekker wordt er bij minderheden met een kleurtje in hun laatste levensfase inderdaad eerder uitgetrokken, zullen de (onbewust) verantwoordelijke artsen geen Nederlanders met migratieachtergrond zijn. De brief wordt gezien als hoopvol maar is in feite dus inhoudsloos.


In alle kampen is de waarheid geslachtofferd. Dat betekent maar één ding: het is oorlog.

donderdag 15 december 2016

Blognoot 2: Doubleren

De uiterste datum voor bevordering moet met ingang van komend schooljaar met twee maanden vervroegd worden. Met andere woorden; in de laatste twee maanden van dat schooljaar weet een leerling of hij ‘over’ is. Het is een oud probleem, scholen kunnen niet tijdig anticiperen op het nieuwe schooljaar en dat kost geld. De oplossing die op mijn school en andere scholen voorligt, is een kostenbesparende maatregel. In de laatste twee maanden van het jaar zit er in iedere klas een aantal leerlingen dat weet dat ze het jaar moeten overdoen en voor wie geen concreet en begeleid programma is. Het geld dat de financiële afdeling bespaart, wordt met extra, onbezoldigde inspanning betaald door docenten en door leerlingen die zich doelloos naar school moeten slepen. Het probleem verdwijnt niet, het verandert van gedaante, plaats en tijd.


Als de opstellers van het plan zich hiervan niet bewust zijn, herkent men de reikwijdte van de relativiteitstheorie niet. Als men zich er wel van bewust is, maar kostenbesparing laat prevaleren, kiest men ervoor feiten en gezond verstand te negeren. Hoe dan ook onttrekken scholen zich blijkbaar niet aan de tijdsgeest.

woensdag 14 december 2016

Blognoot 1: Profielwerkstuk

Terwijl ik luisterde naar een presentatie over de mechanismes die leidden tot de holocaust, twijfelde ik of ik na afloop iets moest zeggen over de actualiteit. In de zaal (klaslokaal) zaten ouders en leerlingen die zenuwachtig waren omdat ze nog moesten presenteren en opgeluchte leerlingen omdat ze al geweest waren.

Moest ik dit laten gaan en de geschiedenis de geschiedenis laten? Of moest ik, enigszins gewaagd, want politiek geladen, opmerken dat nu, hoewel er in West-Europa geen oorlog woedt, dezelfde mechanismes aan het werk zijn?

Het werd het laatste. Om een eventuele discussie bij voorbaat te temperen verschool ik me achter Arnon Grunberg en stelde dat de reactie op Geert Wilders’ uitspraak anders zou zijn als hij geen ‘Marokkanen’ maar ‘Joden’ had gezegd. Ik vertelde niet, uit zelfbescherming, dat ik denk dat de lessen van toen uitgewerkt zijn en dat de jaren-30-Duitsers nu in de hele Westerse wereld wonen.

Eén ouder knikte bescheiden, één collega ook. Verder bleef het stil; mijn collega kondigde de volgende presentatie aan.

woensdag 21 september 2016

Omerta

En dan wordt het september en tijd voor de oogst. Doe Maar vertelde ons dat de tijd rijp was. Uit betrouwbare bron wisten we waar de wietteler met de gemakkelijk bereikbare achtertuin woonde. In de late avond van een vroege septemberdag meer dan een kwart eeuw geleden fietsten we met z’n drieën over afgelegen wegen richting het drugshof van Eden. Mijn vrienden zouden snel een paar planten trekken die ik dan in de meegenomen vuilniszak zou proppen. Het was donker maar nog vroeg genoeg om tijdig terug te zijn in onze stamkroeg om de ervaring met onze vrienden te delen en de buit, die ons de winter door moest helpen, te laten zien. We vonden wat we deden goed noch fout. We deden wat Jantje had moeten doen als hij niet zo’n gehoorzame lafbek was geweest. Aan een boom, zo vol geladen, mist men vijf, zes pruimen niet. De zware geur van een weelderige wiettuin in september zal ik nooit vergeten.

De Marokkaanse chef-kok van het restaurant in Amsterdam probeerde aan de interviewer de geuren en smaken uit zijn jeugd uit te leggen. Hij wilde vertellen welk gevoel hij bij zijn oma had, door wie hij liefdevol was opgevoed en wiens bijzondere gerechten, onder meer schapenkop, de rode draad vormden van zijn herinneringen aan vroeger. Hij probeerde te vertellen, in een taal die niet de zijne was, hoe hij, in zijn eigen restaurant, manmoedig de band met zijn oma en met zijn jeugd in stand hield door die smaken en geuren te combineren in gerechten voor fijnproevers. ‘Als ik een schapenkop zie, denk ik aan mijn oma’, zei hij. De Wereld Draait Door reduceerde de woorden tot een lachmomentje in de blooperminuutjes halverwege het programma.

Woorden zijn hun betekenis aan het verliezen. Ervaringen worden vlak na de gebeurtenis als zure, onrijpe vruchten verwerkt in tweets, posts, columns en blogs. Steeds zwaardere, maar al lang doodgegooide woorden zijn de tandeloze munitie in de eeuwige loopgravenoorlog van het debat. Hoe harder men schreeuwt, hoe dover de vijand. En schreeuw je niet mee, dan ben je kanonnenvoer in de duizend-woorden-per-minuutshow van Matthijs van Nieuwkerk.


Alles verliep vlekkeloos. Mijn vrienden hadden in luttele seconden wat planten losgetrokken die ik in de vuilniszak deed. Toen we de buit binnen hadden en als dieven in de nacht wilden vertrekken, vloog de deur open en een woedende man stormde schreeuwend naar buiten. Een wilde achtervolging met fietsen, auto’s, koplampen, sloten en de schreeuwende wietteler volgde. Om ons hachje te redden moesten we het ultieme offer brengen; de vuilniszak. Terug in de moederschoot van onze stamkroeg spraken we af nooit over het gebeurde te spreken. In deze zelfgekozen omerta konden we alle drie op zoek naar onze eigen moraal, kon de gebeurtenis rijpen tot ons eigen verhaal. Zonder woorden.

dinsdag 26 juli 2016

Mijn dochter groet

Mijn dochter houdt van fietsen. Zij voorop, de haartjes in de wind, de voetjes losjes op het stuur. Ik achter haar, trappend en de wereld becommentariërend. Af en toe een kusje op haar hoofd.

Als we samen fietsen, groet ze de dingen. En ze groet de mensen en ze groet de dieren. ‘Hai’ kan ze zeggen, dertien maanden als ze is. En ‘hai’ zegt ze dan ook. Ze groet de geitjes in het park, de vogeltjes in de kooi. Ze groet de vrouw die hardloopt en dopjes in haar oren heeft en dus niet reageert. Ze groet ook de vissers langs de kant van de gracht die verwikkeld zijn in een viswedstrijd.

Er is zelfs publiek. Ze vindt water leuk en mensen ook. Het is dan ook de perfecte gelegenheid om uit volle borst te groeten. ‘HAIJJJ!’ De toeschouwer, nonchalant leunend op zijn stuur, linkerknieholte op de stang, kijkt geërgerd om. Een kenner duidelijk. Vroeger zelf ook gevist, dat zie je zo. Waarschijnlijk gestopt omdat hij de regionale vistop net niet kon halen. ‘Ik zeg er nu niets van, maar fiets snel door’, zegt de blik in zijn ogen. ‘Ik weet waar deze wedstrijd om draait en welke omstandigheden gewenst zijn. En daar past een schreeuwend kind niet bij’, voegt de blik eraan toe. ‘HAJJ!’, zegt mijn dochter nog een keer. Ik fiets door. Mijn dochter zwaait de vissers vaarwel. Zwaaien kan ze ook. Dag visserke-vis.

We fietsen langs de beek. Sinds kort ligt er een mooi pad. Kilometers lang kun je lopen en fietsen langs de prachtig meanderende beek vol met eenden, zwanen en vissen. Behalve het stukje bij de straat waar ik vroeger woonde, daar ligt geen pad. De bewoners, mijn oude buren, hebben er een stokje voor gestoken. Ze zullen er vast goede redenen voor hebben gehad. Iets met verstoring van de rust. Not in my back yard.

Het trapveldje van mijn jeugd ligt op de scheiding van twee wijken, een witte en een niet witte wijk. We gaan kijken. Er wordt gevoetbald door kinderen uit beide wijken. De integratie onder de jeugd is er niets opgeschoten, vroeger voetbalden we ook al samen. Mijn dochter vindt ballen leuk. ‘Daar, daar, daar’, zegt ze enthousiast, terwijl ze naar de bal wijst. Twee meisjes zitten op het bankje naast het veldje. Ze kletsen en wijzen naar de voetballertjes in shirtjes van Barcelona en Oranje. Ze geven ons geen aandacht. Als ik, een beetje in het niets, een beetje richting de meisjes, zeg dat ik hier vroeger voetbalde, krijg ik nog steeds geen aandacht. ‘Daar, daar’, zegt mijn dochter weer. De bal rolt onze kant op. Een jochie in het shirt van Oranje - niet-witte wijk, onbelangrijk- sjokt er achteraan. ‘Leuk meisje’, zegt hij. Hij kijkt naar mijn dochter. Ik straal onzichtbaar. ‘Klopt’, zeg ik zo nonchalant mogelijk. Het meisje op het bankje kijkt misprijzend. Ze lijkt jaloers. We gaan. Mijn dochter zwaait, de jongen ook.


Ze praat al best veel. Ze zegt mama, poes en sleutel. Ze kan dierengeluiden, de naam van een vriendin en van de oppas,  en ze zegt iets dat lijkt op alsje als ze je iets geeft. ‘Wat zegt de hond?’ ‘Woefwoef’. ‘Wie komt zo thuis?’ ‘Mama, mama’ ‘Wie ben ik?’ Stilte. Papa kan ze nog steeds niet. Dat komt goed uit want we fietsen weer langs de viswedstrijd. De man staat er nog. Zelfde houding. Hij neemt zich voor volgend jaar mee te doen. Hij kan het nog best. Hij is in ieder geval beter dan de meeste deelnemers. ‘HAJJJ!’, schreeuwt mijn dochter. Zijn hoofd draait. Ik kijk niet. Mijn dochter zwaait. We zijn bijna thuis. ‘Mama, mama!’

zaterdag 11 juni 2016

Jan de V.

Ik ben monddood gemaakt. Ik ben geen homo. Ook ben ik geen vrouw. Ik ben niet te dik en ook niet te dun. Ik ben niet niet wit, niet werkeloos en ik ben niet oud. Ik heb geen opa bij de NSB en ben geen (partner van een) pedofiel of zedendelinquent. Ik ben niet kinderloos, bewust of onbewust. Ik ben geen vluchteling. Samengevat: ik word niet gediscrimineerd, en dat is fucking zwaar.

Vroeger was het allemaal een stuk simpeler. Sterker, twee jaar geleden zelfs was het nog goed te doen. Ik realiseerde me dat ik geen zwarte man was, dus dat ik geen oordeel kon hebben over welk effect zwarte piet had op de niet-witte medemens. Ik heb bovendien altijd publiek, mijn leerlingen. Dus met hen had ik het over oordelen en veroordelen en hoe je daarmee op moet passen. Het bleken the wonder years; een complexe maar onschuldige maatschappij als dankbaar lesmateriaal.

Zo is het niet meer. Van alle kanten wordt mij en mijn soortgenoten de mond gesnoerd. De emancipatie heeft inmiddels de kleinste minderheid bereikt. En ze doppen hun eigen boontjes. Dat is goed. Ik zal de laatste zijn die zich onuitgenodigd waagt in het wespennest van discriminatie en belediging. De meesten begrijpen white privilege inmiddels, of doen alsof. Een enkele columnist of politicus verzet zich er nog tegen. Dat zijn de onwetenden. Zij die kijken maar niet zien, de ontkenners. Zij worden vakkundig in de hoek gezet waar de klappen vallen.

En dat is discriminatie. Met het nodige masochisme geniet ik er best van dat ik en de mijnen onze vanzelfsprekende superioriteit kwijt zijn. Het werd tijd dat de onbewuste arrogantie bewust gemaakt werd. Zo voelt het dus om rechteloos te zijn. Toegegeven, de rechteloosheid betreft alleen het maatschappelijke debat, maar toch.

Maar ik voel me ook voorbarig geprofileerd. Waarom is het een vereiste ervaringsdeskundige te zijn als je ergens wat over wil zeggen? Ik wik en weeg zorgvuldig voor ik iets zeg. Bovendien ben ik slim. Dat de domme boosheid verbannen wordt  naar de krochten van schimmige fora op internet is een goede zaak maar ik heb wél nagedacht. Ik ben niet als de anderen. Ik kan jullie, de beledigden en gediscrimineerden, van dienst zijn. Ik kan de autochtone heteroseksuele witte man zonder strafblad en met kinderen kapot schrijven, als jullie dat van me willen. Het wordt tijd om ze met gelijke munt terug te betalen. En ik kan jullie daarbij helpen. Ik weet hoe wij denken, ik heb waarde voor jullie. Ik wil jullie niet verslaan, ik wil erbij horen.

Dus bij deze een verzoek aan de flikkers, de wijven, de vetzakken, de negers, de Koosen Werkloos, de ouwelullen, de fouten, de kinder- of gewone verkrachters, De Halina’s Reijn en de economische profiteurs: mag ik jullie salonfilosoof zijn? Jullie knuffelwitteman? Noem me Jan de V.

vrijdag 25 maart 2016

We hebben Elvis overleefd

Kort geleden was ik exact even oud als Elvis was op zijn sterfdag. Ik rekende dat uit op precies die dag. Te toevallig om te verzinnen, hetgeen bewijst dat het echt zo is. Het was bijna carnaval, en ik kon mijn Elvispak (de Black Pyramid jumpsuit, ze hebben namen en er zijn sites van), schitterend gemaakt door mijn vrouw, weer uit de kast trekken. Elvis loopt als een rode draad door mijn leven. Als jonge tiener was ik al fan. En ook toen ik me door de puberteit worstelde was hij er altijd, als vanzelfsprekend. De rode draad is al een tijdje onaangeroerd. De laatste keer dat ik een concert keek of een plaat opzette, is alweer even geleden. En nu ik ouder ben dan Elvis ooit was, is het de vraag of ik de draad ooit nog weer oppak. Vaak vroeg ik me af wat Elvis deed, toen hij zo oud was als ik. Vanaf nu is het antwoord altijd ‘dood zijn’.

Hoewel ik er me niet voor schaamde, liep ik op de middelbare school niet te koop met Elvis. Langzamerhand merkte ik dat Elvisfan zijn in je voordeel werkt als je het bijna onbenoemd laat. Of nog beter, als alleen anderen het benoemen. Het gaf me, in tijden van Metallica en Madonna, iets mysterieus. Dat het meest autonome en kunstzinnige meisje van de klas mijn liefde deelde, werkte behoorlijk in mijn voordeel. Ik was meer van de vette en zij meer van de fitte Elvis. Zij was onaantastbaar, ik dus ook. We werden vrienden en zijn het altijd gebleven.

Ze stuurde met de uitnodiging voor haar verjaardag een gifje van een knipogende Elvis mee. Het was de fitte Elvis. Daardoor was het alsof ze me zelf aankeek. Het was haar ultieme poging mij naar Amsterdam te lokken omdat zij vermoedde dat het mij in de twee dagen die mij na de uitnodiging restte, waarschijnlijk niet zou lukken mijn weekend zo in te richten dat het tripje erin zou passen. Daar had ze gelijk in. Werkende vrouw, geen oppas, bovendien was ik druk. Helaas. Ik moest het feest aan me voorbij laten gaan. Daar kon geen knipogende Elvis iets aan doen.

Ik ben geen goede vriend. Beter gezegd, ik ben slecht in vriendschappen. Ik bel nooit, app slechts terug en zeg regelmatig afspraken af. Daar heb ik vaak een goede reden voor en soms een smoesje. Ik ben laks en neem dingen voor vanzelfsprekend. Veel van mijn vrienden stammen uit de middelbareschooltijd. Dat mijn vriendschappen al bijna 30 jaar de tand des tijds doorstaan, is niet aan mij te danken. Toch, als we elkaar zien, is het altijd goed en lijkt het alsof we elkaar gisteren nog spraken.

Ik merk echter dat ook anderen meer moeite krijgen vriendschappen te onderhouden. We hebben de leeftijd van druk, druk, druk. Terwijl de carrière nu gemaakt moet worden, laven verplichtingen en kinderen zich gulzig aan je tijd. Over een paar maanden zie ik mijn schoolvriendengroep weer voor het eerst in een jaar of twee en zelfs mijn Elvisvriendin heeft mijn dochter nog nooit gezien. Dat is niet goed. Ik ga een plaat opzetten, Elvis natuurlijk, en daarna app ik haar. We hebben Elvis overleefd. Niets is nog vanzelfsprekend.

dinsdag 1 maart 2016

Het mooiste moet nog komen

De singer/songwriter is de vijftig ruim gepasseerd en treedt op voor 16 man in een kroeg hier in mijn stadje. Zijn gage is gelijk aan de opbrengst van de kaartverkoop. Hij rijdt hiervoor twee uur heen en twee uur terug. Zijn ondersteunend muzikant, percussionist, steelt de show. Heel moeilijk is dat niet. De liedjes zijn aardig maar ontberen kippenvelmomenten. Niet één prachtige melodie, niet één echt mooie zin. Twee jaar geleden was hij er ook. Ik had er niets van onthouden. Maar terwijl hij speelde, begreep ik waarom ik eigenlijk niet veel zin had om te gaan.

 ‘Wat is ironie?’, vroeg een leerling mij. Op de automatische piloot antwoordde ik dat ironie een milde vorm van spot is, niet bedoeld om te kwetsen. Verder maakte ik duidelijk dat er bij ironie een addertje onder het gras zit. Aangezien je een zender (grappenmaker) en een ontvanger hebt(aan wie de grap gericht is), kun je er nooit zeker van zijn dat de boodschap overkomt zoals je hem bedoelt. De ander kan je grappig bedoelde opmerking  bijvoorbeeld gemeen vinden en boos worden. ‘Maar als je in havo 4 zit en nog niet weet wat ironie is, zal je dat wel nooit meer leren’, voegde ik er aan toe.

Verontwaardiging.

Na een korte uitleg van de laatste opmerking, kon hij erom lachen. Punt gemaakt.

Het zit me niet lekker. Mijn uitleg klopt maar is niet volledig. Niet alleen mensen kunnen ironie bedrijven, ook situaties kunnen ironisch zijn. Alanis Morisette heeft dat lang geleden al verteld. (Ik en mijn vrouw hadden overigens regen op onze trouwdag. Toch was het een geweldige dag.) De tragiek van ironische situaties is dat ze de voedingsbodem zijn voor religie. Immers als je ironie verkeerd kunt opvatten, kun je het leven gemeen vinden. Aangezien ‘gemeen zijn’ bewustzijn vraagt, is er dus iemand verantwoordelijk. En als een soort Stockholmsyndroom is de stap dan klein om te geloven dat de verantwoordelijke er wel een reden voor zal hebben. Religieus zijn is anger management. Maar wat moet je als reguliere religie niets voor je is, maar de blonde god, een voetbalclub of een antibrooddieet je ook niet kunnen verleiden?

Hij speelde zijn zoveelste niemendalletje, staarde melancholisch de zaal in terwijl zijn apostel, de percussionist, vol overgave trommelde op kistjes, koebellen en zelfgemaakte naamloze apparaten Toen zag ik het licht. Ik begreep plotseling wat hij deed. Hij maakte zijn carrière bewust het mikpunt van spot. Hij had zelf zijn ezelsoren opgedaan. Vrijwillig. Voor ons, voor het zestienkoppige publiek. Hij liet zestien mensen binnensmonds gniffelen en stille spot drijven. Met hem. Met verve speelde hij de mislukkende muzikant zodat het even niet meer erg was dat wij, het publiek, gewoon leraren waren, en boekhouders, dat wij in de zorg zaten of werkloos waren. Het kon altijd erger.

Ieder optreden sluit hij af met ‘Laat me’, een cover. Dat deed hij twee jaar geleden, dat deed hij nu weer. Shaffy vertelt in dit nummer dat hij na zijn dood zijn liedjes zou laten zwerven. Ik rakelde op dat ik hier twee jaar geleden om lachte. Het repertoire van de zanger zou samen met hem sterven en voor altijd begraven worden. Nu wist ik beter. Het ging niet om de liedjes. Nu begreep ik waarom wij hem zijn eigen gang moesten laten gaan.

Zijn nieuwe cd heet ‘Het mooiste moet nog komen’. Dat gaat niet gebeuren. Mooier worden de liedjes niet. Dat weet hij, dat weet ik. Nee, het is een prachtig staaltje zelfspot. Toch zal ik de volgende keer weer komen kijken. En ik zal hem stil bewonderen. Nooit eerder was ik getuige van zoveel altruïsme. Zo moet het publiek bij Golgotha zich gevoeld hebben terwijl het keek naar Jezus aan het kruis. Het verschil met Jezus: van hem moest en zou de mensheid weten dat hij daar hing voor iedereen, dat hij de redder was. Zoveel eigendunk is niet aan de zanger besteed.

zondag 21 februari 2016

Staat van verwarring

Of ik Prednison slik, wilde de arts weten. Ik had enkele uren eerder mijn auto om een boom gekruld. Alleen de bestuurdersplek was nog te herkennen, achteraf de enige plek in de auto waar overleven mogelijk was.